Tilburg, 3 februari 2005

Betreft Actieplan Leven Lang Leren d.d. 19 november 2004

 

Geachte heer Rutte,

Als Beraadsgroep Vorming, een netwerk van deskundigen op het terrein van de non-formele educatie hebben wij behoefte te reageren op uw Actieplan Leven Lang leren

Het verheugt ons dat uw Actieplan de brede doelstellingen van het Europese beleid ten aanzien van een leven lang leren onderschrijft. Het gaat om levensbreed leren waarbij de burger niet alleen aangesproken wordt op zijn rol als werknemer maar ook op zijn rol als burger. Een leven lang leren is volgens de Europese Commissie van groot belang voor inzetbaarheid op de arbeidsmarkt, maar ook voor actief burgerschap, sociale integratie, en persoonlijke ontplooiing (zie: Mededeling van de Commissie ' Een Europese ruimte voor een leven lang leren').
U sluit daarbij aan in uw Actieplan. Dat blijk uit het volgende citaat: 'Niet alleen om economische redenen, maar ook uit sociaal oogpunt is investeren in een leven lang leren noodzakelijk. Dit kabinet vindt dat iedereen moet kunnen participeren in deze samenleving. We moeten immers voorkomen dat er een kloof ontstaat tussen werkenden die volop kansen krijgen om zich te ontplooien en zich gemakkelijk aanpassen aan veranderingen in de samenleving, en niet-werkenden die zich veel moeizamer aanpassen. Ook deze mensen moeten zich aan de eisen van de moderne samenleving kunnen aanpassen en zich daarin thuis kunnen voelen'.
In de concrete operationalisering in beleidsmaatregelen vinden wij daar echter te weinig van terug.

In het Actieplan wordt een groot beroep gedaan op de individuele verantwoordelijkheid van de burger. Wij waarderen dat als positief. Mensen, werkend of niet werkend, worden geacht zelf verantwoordelijk te zijn voor hun scholing en zelf initiatieven te nemen. Het kabinet realiseert zich hierbij dat dit voor sommigen niet zo vanzelfsprekend is. Er zijn mensen die weinig affiniteit met leren hebben door bijvoorbeeld negatieve schoolervaringen. Er kunnen financiële problemen bestaan. En het aanbod aan onderwijs is soms ondoorzichtig en niet flexibel. Het kabinet ziet het als een uitdaging knelpunten weg te werken en wil werken aan 'een andere leercultuur waarin ruimte is voor verschillen tussen mensen'.

In dit kader hadden wij verwacht dat er in uw Actieplan ook volop aandacht zou zijn voor de vele vormen van non- formele educatie, zoals dat in de rapporten van de Europese Commissie en de Onderwijsraad (zie:. Werk maken van een leven lang leren, Den Haag 2003) wel gebeurt.
Non- formele educatie in zijn verschillende verschijningsvormen heeft vele mogelijkheden om het leren van grote groepen burgers te stimuleren door leermogelijkheden die aansluiten bij de leefsituatie van mensen.
Het niet vermelden van leermogelijkheden in een non-formele setting verbaast ons temeer omdat andere Europese landen wel aandacht besteden aan non-formele educatie. In sommige landen bestaat tweederde van de volwasseneneducatie uit non-formele educatie (gegevens van Euro Stat).
Het gegeven dat het beleid voor de non-formele educatie gedecentraliseerd is, vormt geen alibi voor de rijksoverheid om geen beleidsverantwoordelijkheid te nemen voor deze sector. Wij komen daar nog op terug.

Het kabinet ziet het als zijn taak de deelname te stimuleren van groepen, die minder in staat zijn hun eigen ontwikkeling te sturen. Genoemd worden analfabeten, inburgeraars, laagopgeleiden en jongeren . Toe te voegen zijn: grote groepen ouderen en gehandicapten.
Vertrekkend vanuit de doelstellingen zoals geformuleerd door de Europese Commissie komen ook andere doelgroepen in beeld. Actief burgerschap en sociale integratie dienen bevorderd te worden door een adequaat, vraaggericht en op maat gesneden educatief aanbod. Educatie kan een belangrijke bijdrage leveren aan de versterking van maatschappelijke participatie onder meer door deskundigheidsbevordering van vrijwilligers.
Sociale integratie als doelstelling van een leven lang leren houdt meer in dan inburgering. Immers sociale integratie is een wederkerig proces tussen bevolkingsgroepen. En de actualiteit gebiedt hard te werken aan een betere verstandhouding tussen bevolkingsgroepen.

U benadrukt dat arbeidsgerichte scholingsmaatregelen de sociale cohesie bevorderen. Evengoed willen wij benadrukken dat leermogelijkheden gericht op maatschappelijke participatie, preventie en persoonlijke ontplooiing een economische meerwaarde genereren. Een gezonde samenleving kost minder geld en maatschappelijke participatie onder meer door vrijwilligerswerk levert per saldo veel geld op. Bovendien, u merkt het zelf op, non- formele educatie laat mensen ervaren dat leren leuk kan zijn en leidt toe tot formele educatie. Voor sociaal zwakkeren is het de opstap tot deelname aan meer leermogelijkheden.
Als economische groei boven het Europese gemiddelde nastrevenswaardig is, dan dient ook in non- formele educatie geïnvesteerd te worden vanwege deze inverdieneffecten.

In uw Actieplan vinden wij, zoals gesteld, te weinig hiervan terug.
Voor wat de non- formele educatie betreft komt deze alleen in beeld in paragraaf 3.6 Ruimte voor creativiteit: succesvolle initiatieven ondersteunen en opschalen.
U hebt het goed gezien: aan de basis komen waardevolle samenwerkingsprojecten tot ontwikkeling tussen formele en non-formele educatie, tussen formele en informele vormen van onderwijs, tussen ROC’s, AOC’s, openbare bibliotheken, volksuniversiteiten en educatieve omroepen. In dit rijtje ontbreken welzijnsinstellingen, zoals buurthuizen en vrijwilligersorganisaties die tal van non-formele educatieve activiteiten organiseren..

Wij signaleren dat waar ROC’s steeds meer vraaggerichte educatie willen bieden zij de samenwerking zoeken met welzijnsinstellingen om de leervragen van wijkbewoners op te sporen en deze wijkbewoners te activeren tot een op maat gesneden educatief aanbod. Maar ook zelfstandig vervullen welzijnsinstellingen, centra voor vorming, training en advies, volksuniversiteiten, bibliotheken en niet te vergeten het verenigingsleven en vrijwilligersorganisaties een educatieve functie in onze samenleving.

De Beraadsgroep Vorming, een netwerk van deskundigen uit dit veld, ziet graag dat het kabinet beleidsmatige aandacht besteedt aan dit omvangrijke terrein van leermogelijkheden voor volwassenen.
De landelijke overheid heeft de verantwoordelijkheid voor deze non-formele leermogelijkheden grotendeels gedelegeerd naar de lokale overheden. Daar ligt de eerste verantwoordelijkheid voor non-formele educatie.
Naar onze mening heeft de landelijke overheid echter wel een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van non-formele educatie in het kader van een beleid ten aanzien van een Leven Lang Leren, inclusief de non-formele educatie.. Deze verantwoordelijkheid bestaat uit het monitoren van de uitvoering van dit beleid op lokaal niveau, het transparant en inzichtelijk maken, zowel kwantitatief als kwalitatief, van wat er op het gebied van non-formele educatie gepresteerd wordt, het stimuleren van gemeentelijk beleid ten aanzien van prioritaire groepen, en waar nodig bijsturen van dit beleid.
Een tweejaarlijkse rapportage over de voortgang van een Leven Lang Leren, inclusief de leeractiviteiten in de non-formele sector, maakt het mogelijk de vorderingen in ons land te vergelijken met die van onze omringende landen. Te vaak moeten wij in internationale contacten melden dat wij geen gegevens hebben.
Dit lijkt ons een taak voor het ministerie van O.-en-W. als coördinerend ministerie voor het beleid ten aanzien van een Leven Lang Leren.

In dit verband hebben wij een vraag met betrekking tot de rol van het ministerie van VWS. In een gezamenlijk overleg tussen ministerie van VWS, OCW en de Beraadsgroep Vorming (4 april 2003) werd vastgesteld dat het ministerie van VWS een verantwoordelijkheid heeft voor de non-formele educatie. Het bevreemdt ons dan ook dat dit ministerie in het Actieplan niet voorkomt en dat het ook geen inbreng in de door u voorgestelde Task Force zou hebben. Is hier sprake van een beleidswijziging of van een omissie?.

Met inachtneming van bovenstaande reactie stellen wij u het volgende voor.
De Beraadsgroep Vorming biedt haar deskundigheid op het gebied van non-formele educatie aan ter ondersteuning van de realisering van uw verantwoordelijkheid voor het gehele gebied van de volwasseneneducatie, inclusief de non-formele educatie.
Zo kan bijvoorbeeld onze organisatie, gebruikmakend van haar brede netwerk van deskundigen, bijdragen aan het opsporen van waardevolle educatieve initiatieven, creatieve verbindingen tussen formele en non-formele vormen van educatie, die het verdienen op landelijk niveau opgeschaald te worden.

Tenslotte willen wij u wijzen op het belang dat wij hechten aan 'De week van het leren'. Op regionaal en lokaal niveau komen hierdoor interessante samenwerkingsprojecten tot stand tussen formele en non-formele educatie. Een dergelijke samenwerking vergt echter voorbereidingstijd. Wij dringen daarom aan op een spoedige besluitvorming over de Week van het leren in 2005.

Graag treden wij met u op korte termijn over onze reactie in gesprek.

Hoogachtend,

Namens de Beraadsgroep Vorming
Drs. J.C.M. Houtepen, voorzitter


i.a.a. de Vaste Kamercommissie van Onderwijs

Bijlage: overzicht leden van de Beraadsgroep Vorming

In navolging van het Europese Memorandum “Een Leven Lang Leren “en andere Europese documenten bedoelen wij met non-formele educatie alle vanuit een organisatie doelgericht en systematisch aangeboden leeractiviteiten die niet diplomagericht zijn.

Volksuniversiteiten, centra voor vorming, training en advies, plaatselijke vormingscentra, bibliotheken, instellingen voor sociaal-cultureel werk, allochtone vrouwencentra, centra voor natuur- en milieueducatie, ingebouwd vormings- en ontwikkelingswerk van vrouwenorganisaties, ouderenorganisaties, gehandicaptenorganisaties, allochtone organisaties, vakbonden e.a