Samenlevingsopbouw en leerprocessen
Studieconferentie over de actuele stand van een klassiek volkshogeschoolthema 

Dinie Goezinne en  Henk Michielse  

Volkshogeschoolwerk als samenlevingsvorming’, zo formuleerde Cees Stapel in 1958 de taak van de volkshogescholen. ‘Volkshogeschoolwerk als samenlevingsvorming’ is ook de titel van de bloemlezing uit het werk van Cees Stapel, die bij gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag werd uitgegeven. Het verschijnen van deze bundel was de aanleiding voor de studieconferentie ‘Samenlevingsopbouw & leerprocessen’, die op 26 mei 2000 door de Stichting voor Volkshogeschoolwerk werd georganiseerd in samenwerking met de Beraadsgroep Vorming.1 Zo’n tachtig deelnemers, afkomstig uit de kring van donateurs en uit verschillende betrokken werkvelden en opleidingen, hadden zich aangemeld voor een interessant programma in de vroegere Volkshogeschool Drakenburgh. Centraal stond de vraag, hoe het momenteel staat met wat door  Stapel in 1958 als programma voor vormingswerk werd geformuleerd: de samenhang tussen activiteiten van samenlevingsopbouw en leerprocessen. Referentiepunt voor de conferentie was het concept van het ‘sociaal leren’.2

Basis van het sociale
Het centrale thema werd ingeleid door een oude bekende uit de wereld van de samenlevingsopbouw, Dr Wolfgang Beck, ondermeer auteur van de toenmalige bestseller ‘Democratie in de wijken’ (1973) en oud-universitair hoofddocent samenlevingsopbouw aan de Universiteit van Amsterdam. Op de van hem bekende meeslepende wijze zette hij uiteen, dat leren samenleven de basis van het sociale is. Hij begon met een initiatief bij hem in de buurt om asielzoekers op te vangen en benadrukte het belang van sociale consensus en van een ‘ethiek van de verantwoording’ om dit soort problemen aan te pakken. De inleiding van Wolfgang Beck is hieronder in extenso opgenomen.

Betrokkenheid van ‘volkshogescholen’
De hedendaagse praktijk werd gepresenteerd via een viertal sprekende voorbeelden. Voor oud-gedienden was het buitengewoon interessant om geconfronteerd te worden met het werk zoals dat tegenwoordig wordt gedaan; de vele mensen uit de praktijk konden leren van elkaars aanpak en probleemdefinitie. Wat Cees Stapel (en ook de anderen uit de volkshogeschoolkring) goed gedaan moet hebben, is het feit dat bij drie van de gepresenteerde projecten vroegere volkshogescholen (nu VTA-instituten) een belangrijke rol spelen.

Een van deze praktijk-presentaties – die in het bijzonder indruk maakte op de deelnemers - wordt hieronder gepubliceerd in de bijdrage van Anita Schwab over Moedercentra, voorzieningen in een wijk, waar vrouwen dagelijks met hun kinderen terecht kunnen voor activiteiten op het terrein van educatie, recreatie, kunst & cultuur, gezondheidszorg, opvoeding, sociale hulpverlening en werkgelegenheid. Anita Schwab zelf is zowel opbouwwerkster en begeleidster van moeder- en vadercentra als medewerkster van Odyssee (waarin ondermeer enkele vroegere  volkshogescholen zijn opgegaan), waar zij trainingen geeft aan vrouwen uit moedercentra en aan initiatiefgroepen.

Wijzer in de wijk
Betrokkenheid van een (vroegere) volkshogeschool is ook een element van het project Wijzer in de wijk van de provinciale ondersteuningsinstelling in Noord Holland, IMCO, in samenwerking met VHS Bergen. In dit project, gepresenteerd door Hillie van Netten (IMCO en Beraadsgroep Vorming) gaat het om deskundigheidsbevordering van het kader van wijkorganisaties, zowel vrijwilligers als professionals. Aan bestuursleden, vrijwillig kader, actieve bewoners en professionele werkers worden cursussen, thema-avonden en grotere werkconferenties aangeboden. Het ‘leren’ waarop het project is gericht, betreft een mengeling van de eigen inbreng vanuit de lokale praktijk, de inbreng van het gemeentelijk beleid, theoretische noties, oefeningen ter plekke en ‘huiswerk’. Het project is gestart in Haarlem en wordt aangeboden aan alle gemeenten in Noord Holland.

Lytse Doarpen
Jense Fockema, coördinator van de FLD (Feriening Lytse Doarpen) in Friesland, liet naar aanleiding van het recente plan van een commissie dorpsbelangen voor ouderenhuisvesting zien, hoe er projectmatig aan zo’n zaak gewerkt wordt. In zijn presentatie ging hij in op een drietal kwesties:

·         Hoe steekt zo’n projectmatige aanpak in elkaar?

·         Wat wordt er gedaan om de mensen te positioneren en te organiseren?

·         Waarom heeft zo’n aanpak nut?

Element in het project is de cursus Leren van de buren, ontwikkeld door het LCO (Landelijk Centrum Opbouwwerk) en de FLD, en voor het trainingstechnische deel vooral in samenwerking met Allardsoog Hunneschans. De cursus is er op gericht om de mensen in de dorpsorganisaties ervan te doordringen, dat een projectmatige aanpak effectief is om resultaten te hebben in het (vrijwilligers)werk en dat dat bijna alleen maar kan door goed met andere belangstellenden samen te werken. Projectmatig werken, aldus Jense Fockema,  is heel nuttig. Het is een goede manier om het gezamenlijke belang te dienen en het bevordert de sociale cohesie op dorpsniveau. Belangrijk is ook de resultaatgerichtheid; er worden mensen getrokken die zich willen inspannen voor een concreet doel en niet geïnteresseerd zijn in besturen en in overleg om het overleg.

Buurtacademie
De Buurtacademie Deventer, gepresenteerd door Gerda Casteel, heeft inmiddels grote vermaardheid gekregen in de wereld van het leren. Dit initiatief behoorde tot de genomineerde innovatieve projecten tijdens de openingsbijeenkomst van de Week van het leren (8 september 2000) en won de prijs als meest succesvolle project; onze adviseurs voor de opzet van de conferentie hadden kennelijk al lang door, dat het hier om een belangrijk educatief voorbeeld ging.

Gerda Casteel zette uiteen, dat ‘buurtacademie’ een nieuw woord was voor iets simpels. Er bestond al een lange traditie van integraal werken in Deventer. Bij de wijkgerichte aanpak kwamen het ROC (middelbaar beroepsonderwijs & basiseducatie) en de welzijnsorganisatie Raster een jaar of zes geleden op het idee om scholing rond werken in de wijk te gaan organiseren. Het gaat om een scholingsaanbod op maat voor wijkbewoners. De wijkraad verzamelt problemen die spelen. Daar worden prioriteiten in bepaald, er wordt een actieplan opgesteld en dan wordt er aangesloten bij de scholingsbehoeften. De scholing is vraag-gericht en de deskundigheid die in een buurt beschikbaar is, wordt ingezet. Gestreefd werd naar vernieuwende werkvormen, zowel qua inhoud als qua vorm. Dat lukte de afgelopen jaren wat de inhoud betreft goed, maar minder naar de vorm. Zo bleek een theateraanpak voor Turkse vrouwen niet zo geschikt te zijn. Voor de toekomst wil men de kwestie van vernieuwende werkvormen weer oppakken evenals andere kritiekpunten, zoals de administratieve rompslomp die met de huidige aanpak gegeven is. Belangrijk bij de Buurtacademie is ook, dat de gemeente er een apart budget voor beschikbaar stelt.

Gebrek aan ‘kleur’?
Na een al te korte discussie in kleinere groepen werd in de plenaire slotdiscussie ondermeer ingegaan op de verhouding welzijnswerk en vormingswerk. Jan Houtepen van Prisma-Brabant benadrukte welke nieuwe kansen er liggen rond lokaal sociaal beleid. We zullen, zei hij, de lokale overheid moeten overtuigen van het belang van educatieve ondersteuning, want anders stelt interactieve beleidsvoering niet veel voor. Wolfgang Beck benadrukte vooral het aspect van het multiculturele en constateerde in dit verband, dat er maar weinig ‘kleur’ in de zaal zat. Desondanks was het best een goede conferentie, al zeggen we het zelf.

Leren als vitaal element van samenlevingsopbouw
Wolfgang Beck

Bij het lezen van de artikelen van Cees Stapel ter voorbereiding van deze conferentie heeft mij een aspect van zijn bijdragen bijzonder getroffen. In een beschrijving van 25 jaar Buurthuis Allardsoog  kunnen wij lezen:

‘Na een  kortere of langere wandeling over de slechte zandpaden, dikwijls bij het schijnsel van een stormlantaarn, zat men daar bijeen om de kachel - mannen en vrouwen van soms zeer uiteenlopende overtuigingen en inzichten. Zoals meer in veenkoloniale gebieden trof men hier uiterst rechts en uiterst links, de meest sektarische christenen en de meest onkerkelijke anarchisten, naast elkaar aan. Desondanks kon men niet alleen heel goed samen praten, maar ook samen werken.’

De actualiteit van het verleden
Wat hier bij de ‘praatavonden’ van Jarig van der Wielen  gebeurde, herinnerde mij aan een avond, rond 70 jaren later, bij ons in de straat, op dinsdag 5 april 1995. Wat was er gebeurd? De Gemeente had een terrein, vlak om de hoek van onze straat, aangewezen voor de huisvesting van  circa 5o asielzoekers. In een eerste reactie reageerden enkele bewoners zoals dit altijd  bij zulke beslissingen het geval is, van Amersfoort tot Bloemendaal, van Vlieland tot Slagharen:  zij protesteerden tegen de komst van asielzoekers. Gelukkig verenigde een klein dozijn andere buurtbewoners zich  - onafhankelijk hiervan maar ook in antwoord hierop -  de betreffende dinsdagavond  tot een initiatiefgroep om op een heel eenvoudige vraag een antwoord te vinden:

‘Wat kunnen wij doen om de situatie van deze mensen, die in zo bizarre leefomstandigheden zijn terechtgekomen, een beetje leefbaarder te maken? Hoe kunnen wij met onze bescheiden mogelijkheden ertoe bij dragen dat ‘nieuwkomers’ geen ‘ buitenstaanders’ worden?’

Ondanks onze verschillende levensbeschouwelijke en politieke achtergronden konden ook wij voortreffelijk samen praten en samen werken, zoals toen in Allardsoog.

Wat mij  bij Stapels beschrijving van het ontstaan van het buurtwerk ter plekke trof, was de actualiteit van het  verleden, of nauwkeuriger geformuleerd: de tijdloosheid van de basale patronen die bij de ‘vormgeving aan de samenleving’ blijkbaar onlosmakelijk hiermee verbonden zijn. De reden is, dat toen en vandaag, in Allardsoog en in de duizenden  Huizerstraatwegen van Nederland  het in de kern om de herijking van het sociale gaat. Het samenleven zelf is in het geding.

Herijking van het sociale
Hannah Arendt’s diagnose dat ontheemden, vluchtelingen, asielzoekers en migranten de signatuur van  deze eeuw zullen bepalen, wordt dagelijks op gruwelijke wijze bevestigd. Alvin en Heidi Toffler voorspellen gewelddadige conflicten en explosies wanneer het niet lukt de belangrijkste tegenstellingen tussen regio’s, tussen rijke elites en arme massa’s  weg te werken. Het gaat mij nu niet om catastrofescenario´s te schetsen, het gaat om de indringend vraag: is er voldoende maatschappelijke consensus om deze uitdagingen aan te kunnen? Juist op het moment waarop wij deze consensus het hardst nodig hebben lijkt het maatschappelijk draagvlak hiervoor smaller te worden.

Wie het ‘sociale’ - ik kom hierop nog terug - zo expliciet tot centrale categorie verheft, moet  zich  allereerst realiseren dat hét sociale niet bestaat. Het maakt deel uit en is uitdrukking van de permanent veranderende vormen van vermaatschappelijking van de mens. De wijze waarop in samenlevingen de verhouding tussen groepen en individuen is georganiseerd, tussen individu’s en instituties, is aan ingrijpende veranderingen onderhevig. Stapel beschrijft  op een aandoenlijke wijze hoe de aanleg van de eerste verharde weg in het gebied rondom Allardsoog de oude samenlevingspatronen beïnvloedde.

‘De geasfalteerde wegen echter openden de mogelijkheid van een ‘echte’ lijkkoets in plaats van de boerenwagen, die op slechte zandwegen het enig bruikbare vervoermiddel was geweest. En daarmee kwam ook de gedachte op aan een ‘echte’ begrafenisvereniging, met leden en contributies.’

Het aanleggen van geasfalteerde wegen leidt uiteindelijk tot heel andere vormen van zorg. De socioloog Emil Durkheim heeft laten zien welke samenhang er bestaat tussen industriële ontwikkeling, hiermee verbonden arbeidsdeling en zich wijzigende vormen van solidariteit. Het Sociale bestaat niet, maar het is evenmin  een imaginaire, vrijzwevende categorie. Veranderingen van levenspatronen voltrekken zich in de ingewikkelde confrontatie van maatschappelijke en biografische ontwikkelingen, tussen institutionele sturing en individueel of collectief handelen. Het is de wisselwerking tussen de wereld der instituties, organisaties, systemen en het individu resp. collectieven, hun verwachtingen, aspiraties en oriëntaties, die de aard en de omvang van het sociale bepalen.

Daarom moeten wij oppassen dat  de werkelijkheid ons niet ontglipt. Het is tegenwoordig populair om oude stadswijken en binnensteden alleen maar te beschrijven vanuit een optiek van misdaad, drugshandel, verpaupering, gettovorming verloedering en erosie. Daarbij dreigt de andere kant van de medaille verloren te gaan: de jarenlange strijd van geëngageerde burgers voor een humanere gezondheidszorg,  de zorg voor tienermoeders  door vrijwilligers, de immense inzet van  meer dan 25 000  actieve mensen, die zich om de nieuwkomers bekommeren. Ulrich Beck heeft gelijk, wanneer hij zegt:

¨Wie vandaag slechts het verval diagnosticeert zonder het nieuwe te registreren, is blind. ¨Wie slechts over het nieuwe praat zonder ook het verval waar te nemen, is naïef’.

Blindheid of naïviteit vormen geen perspectief voor samenlevingsopbouw-processen.

Sociaal kapitaal
In het actuele debat omtrent het sociale kunnen wij twee benaderingen ontdekken. In vooral postmodernistische maatschappijtheorieën is sprake van ‘verlies van het sociale’. Als oorzaken worden technologische ontwikkelingen, erosie van sociale bindingen, verzwakking van de communicatieve vermogens genoemd. Het verlies van het sociale verschijnt in de verschillende concepten in de vorm van opheffing en/of gespletenheid van het sociale, als teken van desintegratie en anomie, als proces van individualisering met ontsolidarisering van de samenleving als gevolg.

Een tweede benadering van het sociale begrijpt het sociale als ressource, als hulpbron, als social capital. Bourdieu  refereert hieraan in zijn theorieën over de ‘sociale ruimte’ . Wat de enkeling  aan sociaal kapitaal  bezit en kan mobiliseren is afhankelijk van het net, waarbinnen hij/zij opereert als ook van het economische, culturele, symbolische kapitaal waarover de deelnemers aan het net beschikken. In het Europese debat is  het sociale als ressource hoogst actueel. In haast alle speeches die over de toekomst van Europa gaan, verschijnt de burger als belangrijke coproducent van beleid, als partner van de overheid, als actieve deelnemer aan de civiele en sociale dialoog ; de eerlijkheid gebied te zeggen, dat ook hier het papier soms erg geduldig is.

Zelfrealisatie en collectieve identiteit
Maar de keuze - het sociale als gemis en verlies of als  ressource - is in zekere zin een oneigenlijke. Het sociale is niet als een imaginair, vrijzwevend ‘iets’  te beschouwen, ook al bestrijden economen zoals Hayek en politici van à la  Thatcher dat  er zoiets als het sociale bestaat. Niettemin is de levensvatbaarheid van het idee van een authentieke categorie van het sociale slechts dan gegeven, wanneer het aan reële processen van verandering  gekoppeld kan worden en wanneer wij hierbij de samenhang  tussen  ‘Biography and Society’ - zoals Daniel Bertaux in zijn boek voorstelt - intact laten. Wat is hiermee bedoeld?

D
e Duitse sociaal-filosoof Axel Honneth plaatst het sociale in het spanningsveld van enerzijds zelfrealisatie resp. van het individu en anderzijds vorming van collectieve identiteiten.  Zelfrealisatie, d.w.z. het verwerven van een zekere graad van relatieve autonomie is weliswaar voor het sociale voorwaarde, maar niet voldoende. De mens blijft immers, hoe geëmancipeerd en zelfstandig hij ook is, afhankelijk van zijn omgeving. Pas in de relatie met de ander is het individu überhaupt denkbaar. Met andere woorden: zelfverwerkelijking is ook afhankelijk van zoiets als ´sociale erkenning´, geaccepteerd worden door de ander, erbij kunnen horen, toegang hebben tot... Daarom kunnen ook zgn. solipsistische modellen van zelfvinding, die slechts het eigen zelf erkennen en accepteren geen bron voor het sociale zijn.

Sociale erkenning vereist een minimale vorm van identificatie met anderen. Manuel Castells heeft in zijn magistrale werk ‘The Rise of the Network Society’´dit spoor verkend. In een wereld van mondiale stromen van welvaart, macht en imaginaties - aldus Castells - is het zoeken naar identiteit, collectief of individueel, voorgegeven of geconstrueerd, een fundamentele bron voor het sociale. In het proces van vorming van identiteit herkent een actor zich zelf en construeert voornamelijk op basis van biografische en culturele eigenschappen zijn eigen sociale betekenis. Homi Bhabha, die aan de universiteit van Chicago Anglistiek doceert, heeft in zijn hoofdwerk ‘The location of Culture’ gewezen op het buitengewoon  ingewikkelde proces van identiteitsvorming, de ambivalentie en fragiliteit ervan.

M.a.w. het tot stand komen en de kwaliteit van het sociale is naar beide  kanten open. Zelfrealisering kan ontaarden in puur egoïsme of egocentrisme van collectieve identiteiten b.v. op basis van ethniciteit, religie, nationaliteit of naar aanleiding van een gebeurtenis etcetera. Dit kan desastreuze ontwikkelingen tot gevolg hebben. Een hartverwarmende solidariteit met de slachtoffers van een catastrofe gaat vaak genoeg gepaard met georganiseerde diefstal van het weinige dat er nog aan inboedel is overgebleven  in een catstrofe-gebied.

Ethisch kompas
Daarom kan  samenlevingsopbouw, waarin de reconstructie van het sociale een voorname rol speelt, het niet stellen zonder een ethisch gefundeerd kompas, d.w.z. oriëntaties voor de onderscheiding van goed en slecht. De  zich wederzijds bepalende processen van zelfverwerkelijking en vorming van collectieve identiteiten zijn ethisch niet neutraal. De logica van het menselijk handelen is gebaseerd op beide,  op antropologische en ethische veronderstellingen. In de sociale filosofie worden twee  basale patronen beschreven, die deze samenhang karakteriseren.

Het eerste is er het principe van de maximalisatie van het nut. Kort door de bocht samengevat: wat goed is voor mij, is goed. In de ethiek van het utilitarisme is het sociale een veronderstelde uitkomst. Het tweede principe berust op communicatie. Het werk van Habermas gaat hierover. Communicatief handelen houdt in feite een ethiek van de verantwoordelijkheid in. Het sociale in deze context berust op compromis en consensus. Samenlevingsopbouw, die de broodnoodzakelijke herijking van het sociale tot doel heeft  - dit is de dwingende logica hieruit -  kan dan slechts participatorisch, d.i. door communicatief handelen ethisch verantwoord worden. Omdat slechts communicatief handelen de basis kan vormen voor het sociale, is leren communiceren de kern van alle leerprocessen. De communicatieve competentie verwerven en kunnen gebruiken is de basis voor een sociaal aanvaardbaar samenleven.

Functionalistische reductie
Helaas moet worden geconstateerd, dat ondanks het feit dat in het maatschappelijk debat  het – liefst -  ‘levenslang leren’  hoogtij viert, dit aspect van leren, t.w. leren competent te communiceren, nauwelijks aan bod komt. Er lijkt een paradoxale ontwikkeling gaande: hoe meer aandacht  er voor het humane en sociale kapitaal ontstaat, hoe meer gesproken wordt over concepten van levenslang leren, over ‘politieke educatie’, volwasseneneducatie e.d., des te groter lijkt het gevaar dat leren slechts in zijn instrumenteel-strategische en functionalistisch gereduceerde betekenis  interessant is.


In het dominante nationale en Europese denken over een meer rechtvaardige samenleving verschijnt het sociale geregeld functionalistisch gedacht als bijdrage tot regionale ontwikkelingen, ter bestrijding van werkloosheid, als consequentie van een veranderende arbeidswereld, als bijdrage tot economische groei, als  productieve factor. Leren verwordt in deze concepten tot een aanleren van ‘skill´s’, van vaardigheden, die in eerste instantie aan de vereisten voldoen die voortkomen vanuit  beleidsprogramma´s, analyses van als bedreigend  ervaren ontwikkelingen zoals globalisering en technologiesering. Belangrijk wordt,  wat  aan gewijzigde omstandigheden helpt aanpassen.

Een frappant voorbeeld is het Europese Groenboek ‘Leven en werken in de informatiemaatschappij: de mens voorop’.  De rapporteur Wim J.van Velzen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken van het Europese Parlement heeft naar aanleiding van dit document zijn verbazing uitgesproken over de eenzijdige en enigszins teleurstellende opmerkingen t.a.v. deze  problematiek. Niet de mens, maar de technologie en vooral het concurrentievermogen van onze economie staat voorop. Het lijkt erop  of voor de Europese Commissie de mens slechts als werkende mens denkbaar is. Herhaaldelijk is er sprake van het aanpassen van mensen aan de eisen van de Informatiemaatschappij, waar we de vraag hadden verwacht, hoe we de Informatiemaatschappij zo kunnen inrichten dat ze de behoeften van mensen maximaal ten goede komt, aldus Van Velzen. Het leren aanpassen aan het onvermijdelijke, het eenzijdig accepteren van ontwikkelingen als een gegeven is geen bemoedigend perspectief voor de vorming van collectieve identiteiten, immers een kernvoorwaarde voor sociale samenleving.

Multiculturaliteit
Hierbij  dreigt een  essentieel element van leerprocessen verloren te gaan. Zoals Max Weber het proces van democratisering op zich reeds als het dynamisch en vitaal element van democratie ziet, zo zou je kunnen zeggen, dat het proces van leren zelf het vitaal element van samenlevingsopbouw  zou kunnen zijn. Wanneer dit wordt geaccepteerd, dan rijst de vraag of het perspectief van leren niet verder moet gaan dan alleen maar het  aanpassen aan een als gegeven geaccepteerde wereld. Met  Bernd van Cleve (‘Erwachsenenbildung in Euorpa’, 1995) kunnen we ons dan afvragen, of niet het creëren van een nieuwe ´Mitwelt’ op zijn minst een nieuwe dimensie van leren zou kunnen betekenen. Van Cleve illustreert dit idee aan de hand van intercultureel leren. Men kan in een cursus iets leren over indiaanse weefkunst. Een verdergaand leerdoel kan dan zijn, over de werk- en  leefcondities van de Alpacaboeren in het Andesgebied te praten. Maar nog altijd blijft de ruimte van de dialoog en de interacties cursus-intern bepaald. Het tegenovergestelde hiervan, het creëren van nieuwe  ‘Mitwelten’ gaat de dialoog aan met de concreet aanwezige medeburgers uit Latijnamerika. M.a.w. cultureel heterogene leerscenario´s als basis voor een vreedzaam samenleven openen  een venster op een nieuwe ethiek van multiculturaliteit. Een van de vele voorbelden, die in talloze ‘Zukunftwerkstätten‘ en andere vormen van sociale laboratoria´´ beproefd worden. Het bericht over het Moedercentrum in Den Haag  is een buitengewoon inspirerende bron voor het idee, samenleven op te bouwen door te leren samen te leven.

Moedercentra in Nederland
Anita Schwab

Moedercentra zijn voorzieningen in een wijk, waar vrouwen met hun kinderen terecht kunnen voor activiteiten op het terrein van educatie, recreatie, kunst & cultuur, samenlevingsopbouw, gezondheidszorg, opvoeding, hulpverlening en werkgelegenheid. Het merendeel van de Moedercentra in Nederland is ontwikkeld en gerealiseerd met, voor en door vrouwen in achterstandssituaties.

Basisprincipes
Een Moedercentrum kent een aantal basisprincipes, waardoor het zich onderscheid van andere buurtgerichte voorzieningen. Voor dit geheel van basisprincipes gebruiken we het beeld van een huis. Het fundament van dit huis wordt gevormd door de eigen kracht van de vrouwen. Hun ervaringen en deskundigheid worden ingezet om het Moedercentrum te ontwikkelen en te versterken. Op dit fundament staan vier pijlers, de uitgangspunten van het Moedercentrum:

·         Zelforganisatie en zelfbeheer; in een Moedercentrum kan elke vrouw meedoen, meedenken en mee beslissen;

·         Werk wordt betaald. Vrouwen die diensten verrichten voor het Moedercentrum krijgen betaald in geld of in natura;

·         Het Moedercentrum heeft een open aanbod. Dit betekent, dat vrouwen er binnen kunnen lopen wanneer het hen uitkomt, dat de sfeer open is en dat er ruimte is voor nieuwe initiatieven en activiteiten die ontstaan vanuit de wensen en behoeften van de vrouwen zelf;

·         Kinderen horen erbij. In een Moedercentrum hoeven de kinderen niet te worden weg-georganiseerd. Zij zijn er samen met hun moeder welkom. Voor de kleinste kinderen is er kinderopvang en voor de grote kinderen worden er activiteiten georganiseerd.

Het dak van het huis wordt gevormd door de methode: ‘Vrouwen nemen de leiding’. Het gaat hier te ver om deze methode uitgebreid te bespreken. Enkele aspecten ervan zijn: aandacht voor elkaar, verdeling van de beschikbare tijd, het geven en vragen van steun, werken met gestructureerde vragensets, niet oordelen en het spreken uit eigen ervaring.

In het huis zitten twee ramen die altijd open staan. Het ene raam symboliseert de diversiteit van vrouwen. In een Moedercentrum zijn vrouwen van verschillende culturen, verschillende klassen, verschillende godsdiensten en verschillende leeftijden welkom. Hierdoor wordt het Moedercentrum een afspiegeling van de bewoonsters van de wijk. Het andere raam staat voor het ongedeelde leven van vrouwen. In welzijnsjargon spreken we dan van een integrale aanpak. Vrouwen wonen, werken, leren, voeden kinderen op, hebben behoefte aan ontspanning en zitten soms met problemen, voelen zich ziek of kunnen niet rond komen van hun inkomen. Op al deze terreinen worden er daarom activiteiten, cursussen, zelfhulpgroepen en trainingen aangeboden en ontwikkeld.

Sociaal leren
Vanuit dit concept zijn er op dit moment rond de twintig Moedercentra in Nederland door vrouwen gerealiseerd en bestaan er momenteel zo’n dertig initiatiefgroepen. De vrouwen hebben zich gebundeld in een Landelijk Netwerk Moedercentra, dat wordt ondersteund vanuit het LCO;  zij hebben een gezamenlijke Nieuwsbrief ontwikkeld, houden netwerkbijeenkomsten en locatiedagen en hebben hun eigen trainingen.

En sinds kort zijn we er achtergekomen, dat ze ook nog eens sociaal leren. Toen ik voor een inleiding op de conferentie werd uitgenodigd, heb ik een week bedenktijd gevraagd. Tijdens een training zei ik tegen een groep vrouwen uit de Moedercentra: Ik ben gevraagd om een lezing te houden over sociaal leren, wat denken jullie dat dat is. Verschillende vrouwen antwoordden toen: ‘Ik denk dat dat betekent, dat we leren met en van elkaar in de groep’. Andere zeiden: ‘Zal het ook niet kunnen betekenen, dat we niet alleen leren voor ons zelf, maar ook voor andere vrouwen, de kinderen, de wijk en om met andere organisaties te kunnen praten en te onderhandelen?’ Na deze antwoorden besloot ik op de uitnodiging in te gaan.

Vanuit de Moedercentra valt er het volgende te zeggen over de dimensie ‘actie’ in het sociaal leren. De vrouwen proberen actief in te grijpen in hun situatie door voor zich zelf een plek te creëren waar ze hun situatie kunnen verbeteren. Hun onmacht ten aanzien van sommige situaties wordt omgezet in kracht doordat wordt aangesloten bij hun eigen ervaringen, competenties en vaardigheden. De vrouwen uit de Moedercentra durven te dromen en hun dromen aan elkaar te vertellen. Zij steunen elkaar bij nieuwe initiatieven door elkaar niet af te remmen. Bij elk nieuw voorstel wordt altijd de vraag gesteld ‘Ja, en...?’ en niet ‘Ja, maar  ?’, waardoor ruimte voor nieuwe initiatieven ontstaat. Als er onzekerheid is bij de groep door strategieën of onderhandelingen vanuit de gemeente, instanties of de organisatie, is er altijd wel iemand die roept: ‘Hé, terug naar onze eigen kracht! Wat wilden we zelf ook al weer?’

Medeverantwoordelijk
De vrouwen zetten zich coöperatief in voor de realisatie en het behoud van het Moedercentrum en het behartigen van hun belangen. Ze voelen zich medeverantwoordelijk, hebben hun eigen taken, afspraken en ideeën. Hierdoor hebben zij ongeacht hun verschillen in cultuur, leeftijd en klasse een gezamenlijk belang, namelijk het Moedercentrum. Ieder kan daarin haar eigen steentje bijdragen en daar waardering en respect voor verwerven. Of je de fietsles geeft, het buffet runt, de tweedehands winkel leidt, gastvrouw bent tijdens een voorlichtingsbijeenkomst of de opbouwwerker bent die het proces ondersteunt, alle vrouwen zijn nodig om de boel draaiende te houden. Het nodig en belangrijk zijn voor elkaar, voor de kinderen en voor de wijk vormt een wezenlijk bestanddeel van het Moedercentrum.

Reflectie
Reflectie vormt niet de sterkste kant van het gemiddelde Moedercentrum. De pendelbeweging tussen afstand nemen van en opgaan in, is vaak niet in evenwicht. Veel vrouwen voelen zich sterk betrokken, veel tijd wordt gestoken in elkaars emoties en de benodigde rationaliteit en distantie zijn lang niet altijd aanwezig. Om deze redenen wordt in de meeste Moedercentra bewust voor elke schoolvakantie (dus ongeveer zeswekelijks) een evaluatiemoment georganiseerd waarin wordt teruggekeken op de voorgaande periode. Wat is er daadwerkelijk gerealiseerd? Wat ging goed/slecht? Hoeveel vrouwen hebben we bereikt? Enzovoort. Regelmatig wordt er vanuit het Landelijk netwerk ondersteuning verleend – door trainingen, het schrijven van een werkboek, het begeleiden van conflicthantering - om het evenwicht tussen engagement en distantie te herstellen.

Momenteel ondersteun ik mannen in mijn werkgebied bij de realisatie van hun Vadercentrum. Ik ging er vanuit, dat het voor mannengroepen makkelijker zou zijn om te reflecteren en te rationaliseren. Maar het tegendeel blijkt waar. De mannen gaan er tot op dit moment met een zeker zo grote betrokkenheid en inzet van emoties tegenaan als de vrouwen. Ook hier moeten door de begeleiders bewust momenten van bezinning en terugkijken worden aangebracht.

Communicatie
De communicatie als dimensie van het sociaal leren vindt in de moedercentra naar mijn idee naar buiten toe op heel veel niveaus plaats. De vrouwen onderhouden een netwerk op wijkniveau, zoals met de wijkagent, de woningbouwvereniging, het kinderwerk, het jongerenwerk, de ambtenaren enzovoort. Op stedelijk niveau communiceren zij met de politiek, de consultatiebureaus voor alcohol en drugs, de organisaties voor kunst en cultuur, scholingsinstituten, de sociale diensten, de werkgelegenheidsorganisaties en noem maar op. Op landelijk niveau is er verbinding met de armoedenetwerken, de politiek, ambtenaren, onderzoeksbureaus, kerkelijke instanties. Op internationaal niveau met vrouwen; tijdens conferenties zijn ze nu bijvoorbeeld ook vertegenwoordigd op de Wereldtentoonstelling.

De Moedercentra worden regelmatig bezocht door delegaties uit verschillende landen, die zijn uitgenodigd door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hierdoor zijn er onder andere contacten ontstaan met Suriname, Zuid-Afrika, Litouwen, Indonesië, Turkije, Praag en vele andere steden en landen. Door al deze contacten overwinnen de vrouwen hun natuurlijke wantrouwen tegen instanties en autoriteiten en wordt hun gevoel van eigenwaarde en zelfrespect vergroot.

We hebben geleerd
Tot slot: de vrouwen in de Moedercentra en sinds kort ook mannen in de Vadercentra behartigen hun belangen door middel van zelforganisatie. Met elkaar leren zij aan en van de klus. Na acht jaar nauw als opbouwwerker vanuit verschillende posities bij dit proces betrokken te zijn wil ik mijn verhaal graag afronden met een reflectie op het eigen handelen.

Wij wisten van te voren, dat als we het concept van de Moedercentra in Nederland wilden introduceren, we dan over een lange adem en veel uithoudingsvermogen dienden te beschikken. De spreuk: ‘Loop niet alleen over begaanbare paden, maar loop over paden waar niemand langs gaat, zodat je niet alleen stof achterlaat’, was hierbij een van de leitmotieven. Maar we hebben geleerd, we zijn gegroeid en hebben een pad gebaand door gewoon maar te gaan lopen. Met de ontwikkeling van het Vadercentrum ben ik nu een nieuw, nog kronkelig pad gaan volgen. Maar het is vaak heerlijk om over kloven te springen, om in de storm, de regen, de zon te lopen. Graag nodig ik iedereen dan ook uit om mee te gaan.

VORMING, ZINGEVING & MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDELIJKHEID
Verslag van een symposium
Henk Michielse

Voor volkshogeschoolmensen misschien een wat onwennige plaats: het Abdijhuis (vormingscentrum van de Norbertijnerabdij in Heeswijk), waar de Stichting voor Volkshogeschoolwerk, de Beraadsgroep Vorming en het Abdijhuis op vrijdag 13 oktober 2000 een symposium organiseerden over de vraag, hoe in vormingswerk dat zich richt op zingevingsvraagstukken en spiritualiteit ook het aspect van maatschappelijke verantwoordelijkheid aan bod zou kunnen komen. En waarschijnlijk net zo onwennig voor de vertegenwoordigers van de christelijk-maatschappelijke vrouwenorganisatie Passage (fusie van NCVB en CPB) en het Humanistisch Verbond, die eveneens bij de voorbereiding betrokken waren. Maar het viel wel heel erg mee! Het symposium werd door heel veel deelnemers interessant en stimulerend gevonden. De Stichting voor Volkshogeschoolwerk – die zich vooral inzet voor educatie tot maatschappelijke betrokkenheid - maakte het symposium financieel mogelijk.1

Speurtocht naar zingeving
In de symposiumbundel, die vooraf aan de 110 aangemelde deelnemers werd toegestuurd, wordt de vraagstelling nader uitgewerkt. Er wordt verwezen naar het trendrapport ‘Vorming – (g)een millenniumprobleem?’  (1999) van de Beraadsgroep Vorming, waarin een schets wordt gegeven van het ‘oriëntatieverlies’ dat hedendaagse mensen bedreigt. Deze thematiek was al eerder aan de orde gesteld in de conferentie van de Beraadsgroep i.s.m. de Vereniging voor VHS-werk en het Vlaams Centrum voor Volksontwikkeling vanuit de optiek van  ‘De moderne nomade en zijn bagage’ (eind 1998).

Het trendrapport wijst erop, dat de individualisering en het verzwakken van de collectieve kaders en de ‘grote verhalen’, de ontzuiling, ontideologisering en ontkerkelijking het individu dwingen tot zelfproductie van zijn culturele identiteit, zowel in zijn maatschappelijke als privé-leven. Moderne subjecten zijn zeker niet ongevoelig geworden voor vragen naar de zin van het bestaan en naar geestelijke krachten. Eerder het tegendeel, al lijkt het merendeel van de mensen zich niet meer zo zeer te identificeren met vaststaande dogma’s en opvattingen van de officiële wereldbeschouwingen. Voor velen is zingeving meer een nomadische speurtocht geworden naar allerhande kennisbronnen die in uiteenlopende combinaties houvast kunnen bieden voor een per definitie risicovol bestaan, dan de onderwerping aan de wetten van hogere machten.

Deze speurtocht blijkt ook uit de grote belangstelling die er bestaat voor vormingswerk, gericht op zingeving en spiritualiteit. Praktisch alle vormingswerk in het Abdijhuis bijvoorbeeld is hierop gericht, niet omdat het Abdijhuis zelf hiervoor uit principe zou kiezen, maar omdat de belangstelling van de deelnemers hier praktisch uitsluitend naar uitgaat (in tegenstelling tot een decennium geleden, toen de belangstelling voor een maatschappelijk-gericht vormingsaanbod er nog groot was). Ook in ander vormingswerk is de interesse voor zingevingsvragen vaak groter dan voor maatschappelijk gerichte thema’s. Zelfs in een bij uitstek maatschappelijk georiënteerde organisatie voor sociale vorming als het Nivon is deze tendens bespeurbaar.

Maatschappelijke betrokkenheid niet weg
Bij deze korte schets van de problematiek werden in discussies ter voorbereiding op de conferentie nog enkele belangrijke kanttekeningen geplaatst.

Het maatschappelijk engagement en het besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid als zodanig – aldus de symposiumbundel - zijn zeker niet verdwenen, zie het vele vrijwilligerswerk en de grote aanhang van bijvoorbeeld Amnesty International en Green Peace. Misschien is er zelfs wel een veel grotere inzet dan vroeger. Scholen waren nog niet zo lang geleden van de onderwijzers en katholieke parochiekerken van de clerus, maar nu drijven ze op vrijwilligers.

Veel mensen maken zich grote zorgen over bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen, maar ze komen niet op bijeenkomsten die daarover gaan. Ze voelen zich wel betrokken bij maatschappelijke problemen, maar hebben het gevoel, dat ze er weinig of niets aan kunnen doen en laten het bij geldelijke steun aan Green Peace of de NOVIB. Bovendien is gebleken, dat je mensen tegenwoordig ook eerder voor maatschappelijke kwesties kunt interesseren als je die problemen niet op een algemeen niveau aan de orde stelt, maar vlak bij de eigen voordeur (niet: de multiculturele samenleving, maar: de Marokkanen in de eigen wijk; niet hét milieu, maar een concreet milieuprobleem in de buurt).

Geen tegenstelling
Wellicht worden, aldus de voorbereidende tekst, zingeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid ook teveel als tegenstelling gezien. Vormingswerk rond stervensbegeleiding (toch een blijk van sociale verantwoordelijkheid) trekt heel veel belangstelling. Bij vormingsbijeenkomsten gericht op zingeving, kan toch im- of expliciet de samenleving in het vizier komen, zie b.v. op het Abdijhuis de bijeenkomsten voor ‘Lotgenoten’ voor slachtoffers van seksueel misbruik (wat zijn de maatschappelijke kanten van dit probleem), of weekends rond de dood (hoe gaat onze samenleving met de dood om?) Men wil ook wel ‘maatschappelijke betrokkenheid’ als dat bijdraagt aan de persoonlijke zingeving. In activeringswerk, ook dat vanuit levensbeschouwelijke organisaties, klinkt voortdurend de vraag: wat kunnen we daadwerkelijk doen aan maatschappelijke problemen. Maar het vertrekpunt is niet meer het collectieve maar het persoonlijke. Mensen komen eerder af op personen dan op maatschappelijke problemen, Mandela i.p.v. apartheid of derde wereld bijvoorbeeld.

In de symposiumbundel wordt geconcludeerd, dat het bij zingeving gaat om zowel een persoonlijk als een publiek aspect, om persoonlijke én publieke zingeving. Daar kunnen mensen op worden aangesproken en daar ligt dus ook een aangrijpingspunt voor vorming.

Probleemstelling symposium
Vanuit de bovenstaande schets van de thematiek formuleerden de organisatoren als centrale probleemstelling voor het symposium: ‘Hoe kan aan de behoefte van mensen aan ondersteuning bij vragen naar zingeving en spiritualiteit in het vormingswerk tegemoet gekomen worden, terwijl toch ook aan het aspect van de maatschappelijke verantwoordelijkheid  expliciet aandacht wordt besteed. Bezinning op deze thematiek en in het bijzonder op methodes om er vorm aan te geven lijkt bijzonder zinvol.’

Grenzen en herinneringen
Het symposium begon met een indringende inleiding van Prof. Dr Lieve Troch, hoogleraar feministische religiestudies in Sao Paulo en werkzaam aan de Nijmeegse Universiteit. Zoals zij pendelt tussen Nederland en Latijns Amerika, zo pendelde zij in haar analyse ook tussen de ontwikkelingen hier en een kijk van daaruit. Het gaat er om, stelde zij voorop,  door maatschappelijk en politiek handelen de wereld veiliger te maken voor onze spiritualiteit. Het centrale probleem in de inleiding van Prof. Troch was het omgaan met ‘grenzen’ en ‘herinneringen’. Zij ging kritisch in op twee kenmerken van deze tijd: de globalisering en de cultuur van de onmiddellijke bevrediging. Globalisering is een ambivalent proces: economisch gaat het om ontgrenzing voor kapitaal en goederen, maar de kloof tussen arm en rijk is groter dan ooit en de grenzen van Europa gaan dicht. De cultuur van de onmiddellijke bevrediging in de westerse samenlevingen leidt ook tot het zoeken naar instant-zingeving. Daartegenover wees Prof. Troch op het belang van de subversieve herinneringen van slachtoffers en gediscrimineerde groepen. De bijdrage van vormingswerk kan liggen in de reflectie op grenzen en herinneringen en het leren van grensoverschrijdingen. (Helaas was de inleiding van prof. Troch niet beschikbaar voor publicatie in dit blad).

Maatschappelijk gericht
Hedendaagse praktijken op het gebied van zingeving en spiritualiteit kwamen aan de orde in een viertal presentaties. Lotte Wouters en Anna de Jong presenteerden  ‘Praten over de dood verrijkt je leven’, een discussieproject van het Humanistisch Verbond. Het gaat bij dit project niet om rouwbegeleiding, maar het mikt op mensen die rond de dood geen steun (meer)  vinden bij de kerk en zingevingsproblemen ook niet willen overlaten aan beroepskrachten. Doel is enerzijds om individueel na te denken over sterfelijkheid en het levenseinde en anderzijds maatschappelijk mensen in de eigen omgeving steun te geven bij het omgaan met de dood.

Qua thematiek gaat het bij de bijeenkomsten op het Abdijhuis voor ‘Lotgenoten van seksueel misbruik’  (gepresenteerd door Cobi Voskuilen en Wies Stael) eigenlijk per definitie zowel om een persoonlijk als een maatschappelijk probleem. De weekenden zijn bestemd voor vrouwen die veel moeten inhalen, van wie het misbruik (vaak) is dood gezwegen en voor wie het leven weer zin moet krijgen: de zin van het leven en weer zin in het leven. De maatschappelijk kant is wel aanwezig, maar wordt niet expliciet aan de orde gesteld.

Oases in de woestijn
In de cursus ‘Spiritualiteit & vrijwilligerswerk’ van het Ignatiushuis in Amsterdam – gepresenteerd door Fieke Klaver - gaat het er om in je eigen daagse leven en werken momenten te ontdekken die inspirerend, bemoedigend en hoopgevend zijn. Vraag is, hoe de ‘tijdgeest’, de levensloop, het werk, de levenssfeer, de religieuze traditie en de natuur een rol spelen in je eigen geleefde zingeving en je (eventueel) helpen om je te richten op de ‘Eeuwige’. Het maatschappelijke speelt in deze benadering een duidelijke rol en kan ook expliciet aan de orde gesteld worden.

‘Oases in de woestijn -  methode voor spirituele blikverruiming en maatschappijkritiek’ is ontwikkeld door Ds B. Rootmensen, studentenpredikant te Amsterdam. Hij presenteerde zijn methode ook, zij het heel kort door het uitlopen van de andere verhalen. ‘Woestijn’ staat bij hem voor drie dingen:

·         letterlijk de verwoestijning als milieu-probleem;

·         de technocratisering die ons waardensysteem overheerst; de vermarkting;

·         het post-moderne levensgevoel (het ‘einde van de grote verhalen’) dat enerzijds grotere vrijheid voor het individu betekent en het einde van de bevoogding, maar anderzijds leegte brengt aan zingeving en spiritualiteit.

In de reeks bijeenkomsten van deze methode gaat het om het tegenkomen van oases (ontvankelijk zijn), het zoeken van oases (opgave en uitdaging), het scheppen van oases en om (bijbels-theologische) achtergrondwoorden. Van deze methode wordt onder andere veel gebruikt gemaakt door Passage, de christelijk-maatschappelijke vrouwenorganisatie.

Vormingswerk en zingeving
Theo Jansen, universitair hoofddocent vorming & volwasseneneducatie in Nijmegen en lid van de Beraadsgroep Vorming, was gevraagd om vooral methodisch commentaar te geven op de vier praktijk-presentaties. Maar hij verraste de deelnemers met een – overigens heel interessante en uitdagende – inleiding waarin hij kritische vragen stelde bij het thema. Wat is ‘zingeving’ eigenlijk; betreft het hier niet een per definitie hoogst persoonlijke aangelegenheid? Gaat het bij ‘zingeving’ en ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’ niet om twee geheel gescheiden ‘vocabulaires’? Is er wel sprake van een ‘crisis’ in de zingeving en in de maatschappelijke verantwoordelijkheid? Toch leeft het thema, zei Theo Jansen, maar het is belangrijk de goede vragen te stellen. Vormingswerk moet er van uitgaan, dat leren en zingeving, leren en maatschappelijk participeren samen gaan. De Inleiding van Theo Jansen wordt hieronder in extenso afgedrukt.

Na deze inleiding volgden nog werkgroepen - waarin de thematiek van de dag en de inbreng van sprekers en presentatoren werden bediscussieerd en waar de diversiteit van opvattingen over zingeving en maatschappelijk engagement waarover Theo Jansen het had duidelijk aan het daglicht trad – en een plenaire discussie over de in de werkgroepen gerezen vragen.

De plenaire discussie spitste zich toe op de vraag of er naast de sombere signalen over de hedendaagse samenleving toch ook niet veel lichtpunten waren te ontdekken. Kijken we niet te veel naar wat er aan goeds verdwijnt en hebben we niet te weinig oog voor nieuwe ontwikkelingen? Daarnaast werd de vraag gesteld, hoe van een kritische analyse over te gaan naar de kleine dagelijkse praktijken. Belangrijk werd algemeen de aanwijzing van Theo Jansen gevonden met betrekking tot de verbinding van leren en het participeren in maatschappelijke activiteiten. In aansluiting hierop werd er gepleit voor meer engagement van het vormingswerk: zoek de plekken op waar de zwaarste klappen vallen en bevraag hen op hun grenzen en (subversieve resp. bevestigende) herinneringen.

Deelnemers
Wat de (110 aangemelde) deelnemers betreft, was het nog interessant te zien, dat er voor een flink deel andere mensen op het symposium afkwamen dan bij de andere conferenties van de Beraadsgroep Vorming en de Stichting voor Volkshogeschoolwerk. Verheugend was het relatief grote aantal studenten, die er bovendien voor zorgden dat er meer ‘kleur’ in de zaal zat dan bij de andere in dit nummer besproken conferentie.

 

Overzicht aanmeldingen

Studenten

 16

Docenten

   5

Ondersteuningsinstellingen

   7

Vormingswerk/zingeving

 25

Sociaal Cult. Werk/ander Vormingswerk/ROC’s

 22

St. v.Volkshogeschoolwerk/ Beraadsgroep Vorming

   7

Vrouwenorganisaties

 11

Andere belangstellenden

 18

VORMINGSWERK EN ZINGEVING
Theo Jansen

Een van de problemen van het thema ‘zingeving en verantwoordelijkheid’ is dat het begrip zingeving moeilijk grijpbaar is. Er bestaan natuurlijk talloze omschrijvingen, maar steeds blijken die erg open, diffuus, en naar verschillende niveaus van de werkelijkheid te verwijzen. Dat blijkt ook op deze studiedag,  waar onder het thema zingeving zowel aandacht gevraagd wordt voor spiritualiteit en religiositeit, als voor het omgaan met de dood en de verwerking van seksueel geweld.

Diversiteit
Die diversiteit heeft niet alleen betrekking op de vragen die over zingeving gesteld kunnen worden, maar ook op de antwoorden die gegeven worden. Is er zin te geven aan de dood? Voor sommigen is het antwoord even duidelijk bevestigend, als het voor anderen ontkennend is. Heeft Maffesoli gelijk wanneer hij in de ‘neo-tribes’ van de postmoderne tijd eigentijdse vormen van een weliswaar steeds vluchtige en voorlopige, maar daarom niet minder authentieke en mythische hang naar verbondenheid met ‘de ander’ meent te ontwaren? Of zijn ‘neo-tribes’ juist uitingsvormen van een voortgaande vervlakking en afsluiting voor het transcendentale zoals anderen menen? En, in het verlengde hiervan, heeft het zin om te onderscheiden tussen ‘diepere’ en ‘serieuze’ vormen van zingeving, en ‘oppervlakkige’ en ‘kunstmatig’ opgewekte zingevende ervaringen? En zo ja, welke criteria bepalen dan waar de grens getrokken moet worden?

Kortom, zingeving als thematiek bevat zoveel verschillende niveaus en dimensies dat het lijkt alsof er nauwelijks algemene uitspraken over gedaan kunnen worden. De enige houdbare maar tegelijkertijd weinig hout snijdende generalisatie lijkt te zijn, dat iedereen wel eens met de vraag naar de zin van zijn/haar leven wordt geconfronteerd en een eigen antwoord moet zien te vinden.

Twee vocabulaires
Een tweede reden voor het ongemak dat het thema zingeving oproept komt voort uit de constatering dat ‘zin geven’ pas tot een probleem wordt wanneer mensen ‘geen zin meer hebben’. Zingeven lijkt daarom vooral een kwestie van ‘er zin in hebben’ en ‘zin willen maken’. Maar dat roept onmiddellijk de vraag op of iemand anders dan jezelf dat kan bewerkstelligen. Met andere woorden, is zingeving niet per definitie een hoogst persoonlijke aangelegenheid, waar anderen wel over mee kunnen praten, maar weinig kunnen bijdragen aan de bewerkstelliging?

Wanneer het waar is dat zingeving zo persoonlijk is, kunnen zingeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid dan nog met elkaar in verband gebracht worden? De achterliggende gedachte van deze studiedag is immers dat vormingswerk een functie heeft in het koppelen van zingevingsvragen aan het opnemen van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Maar de vraag kan gesteld worden of zo’n streven überhaupt mogelijk en wenselijk is.

Veel postmoderne denkers en schrijvers zullen deze vraag ontkennend beantwoorden. Zo zegt  bijvoorbeeld Rorty dat het persoonlijke en het maatschappelijke verwijzen naar twee gescheiden ‘vocabulaires’: enerzijds de taal van de niet rationeel te beargumenteren beleving en authenticiteit, anderzijds die van de argumentatief te rechtvaardigen en te betwisten sociale rechtvaardigheid. Beide vocabulaires zijn nodig, maar ze kunnen en mogen niet tot één ‘verhaal’ worden samengesmolten, op straffe van de permanente dreiging van sociaal conformisme en zelfs terreur.

Nieuw fenomeen
Een derde reden om vragen te stellen bij het thema van deze dag is of er eigenlijk wel sprake is van een crisis in ‘zingeving’ en sociale verantwoordelijkheid? Tegenover het somberen over een verloren gaan van en verwarring over vertrouwde kaders voor zingeving, kan met even veel recht gesteld worden dat ‘zin-geving’ een betrekkelijk nieuw fenomeen is. En dat we niet zo zeer te maken hebben met een  crisis van het vertrouwde, maar veel meer met iets onbekends.

Was er vroeger eigenlijk niet veel meer sprake van ‘zin-nemen’ dan van ‘zingeven’? Mensen ontleenden de zin van hun bestaan aan de ‘grote verhalen’ en vooral aan de dagelijkse vertaling daarvan in gewoontes, riten, symbolen: die reikten zin aan, en het individu ‘nam’ zin, de ‘schema’s’ lagen klaar. Nu koesteren we het idee en de opdracht dat we zelf actief zin moeten ‘geven’. Zoals Taylor laat zien heeft deze omslag ongetwijfeld te maken met de individualisering van de samenleving en het daarmee verband houdende ideaal van authenticiteit. De vraag is echter of dit ideaal ook praktijk is? Wordt heel veel zin nog steeds niet ontleend aan rituelen en symbolen die misschien eigentijds zijn maar waaraan we ons nog even gretig onderwerpen als eerdere generaties dat deden aan de riten en symbolen van hun tijd? Hoe ‘authentiek’ en ‘zingevend’ zijn en willen we eigenlijk zijn, of worden we gefrustreerd en op het verkeerde been gezet door een nieuw, zelf geschapen ideaal dat onhaalbaar is?

Soortgelijke vragen kunnen gesteld worden met betrekking tot de vermeende teloorgang van het gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid. Was dat vroeger echt groter en minder problematisch? Of was maatschappelijke verantwoordelijkheid toen ‘anders’: veel meer beperkt tot wie ‘nabij’ was in ruimte en tijd? En is het probleem van deze tijd niet veel meer dat we ons geconfronteerd zien met een geglobaliseerde verantwoordelijkheid voor anderen die ‘anoniem’ zijn?  Ook hier lijkt er niet zo zeer sprake van een crisis van het vertrouwde, maar van een nieuwe situatie en van nieuwe uitdagingen waarvoor (nog) geen arrangementen bestaan. En die daarom machteloosheid in de hand werken, omdat we er zowel persoonlijk als collectief zo weinig greep op kunnen krijgen.

Leren en betekenisgeven
Dat er zoveel vragen gesteld kunnen worden bij het thema dat hier aan de orde is betekent geen ontkenning van het belang ervan. Maar het stellen van de juiste vragen is een voorwaarde om zinvolle antwoorden te vinden. Wanneer het vormingswerk een zinvolle functie rond het thema zingeving en maatschappelijke verantwoordelijkheid wil vervullen, is het daarom van belang om zo helder mogelijk te krijgen welke vragen er eigenlijk aan orde zijn.

Bovenstaande overwegingen kunnen dan vooral dienen om een ander licht te werpen op het thema dat hier besproken wordt, en een andere richting te wijzen voor een zinvolle bijdrage van het vormingswerk. Zingeving en verantwoordelijkheid als opdracht voor het vormingswerk, lijkt te vragen om een perspectief waarin zingeving minder gebonden wordt aan de ‘diepte-lagen’ van het menselijk bestaan, en eerder in verband wordt gebracht met betekenisvolle participatie en verbondenheid. Het aanknopingspunt voor vragen naar zingeving zou wel eens niet zo zeer kunnen liggen in de zorg over en de gevolgen van het einde van de ‘grote verhalen, maar veel meer in het zoeken naar wegen voor participatie aan zinvolle maatschappelijke activiteiten. Deze stelling zal ik onderbouwen aan de hand van enkele cruciale elementen uit de leertheorie van Wenger.

Uitgangspunt van zijn theorie is dat leren en betekenisgeving per definitie met elkaar zijn verbonden. Leren staat per definitie ook voor identiteitsontwikkeling omdat de verwerving van informatie, kennis en vaardigheden altijd geplaatst worden in de biografie van het zelf: wat betekent deze ervaring voor mij, mijn plaats in wereld, mijn verhouding tot anderen. Altijd veranderen leerervaringen minstens impliciet het ‘verhaal’ dat de lerende over zichzelf vertelt.

Tegelijkertijd zijn leren en identiteitsontwikkeling onverbrekelijk verbonden met het participeren aan sociale praktijken; daarin ligt de bron van ervaringen die betekenisvol zijn voor de persoon in kwestie. Dit houdt in dat identiteitsontwikkeling (betekenisgeving) samen gaat met competent ‘actorschap’;  dat wil zeggen, met ervaringen van een  handelen dat er binnen zulke praktijken ‘toe doet’, en dat daarmee zowel betekenis heeft voor de (re)productie van de praktijk in kwestie, als voor de handelende persoon.

Leren door te participeren in sociale praktijken verwijst daarom zowel naar ‘verbondenheid met de ander’ (degenen met wie men een praktijk deelt) als naar ‘verbeelding’, dat wil zeggen naar de ontwikkeling van het persoonlijke verhaal  over de betekenis van competent handelen. Maar daarbij is zowel ruimte nodig voor ‘identificatie’ (het zich kunnen engageren met de waarden, normen, betekenissen van de gemeenschappelijke praktijken), als voor ‘onderhandeling’ (het kunnen inbrengen van het eigen verhaal, de persoonlijke ervaringen en verlangens, enzovoorts) Beide dimensies zijn nodig voor betekenisvolle ervaringen en handelingen: zonder identificatie kan er geen sprake zijn van een betekenisvolle identiteit, zonder ‘onderhandeling’ komt er geen betekenisvol actorschap tot stand.

Perspectief voor vormingswerk
Het hier in een notendop geschetste perspectief, wijst het vormingswerk andere wegen voor een zinvolle bemoeienis met vragen van zingeving en verantwoordelijkheid. Het gaat dan veel meer om het faciliteren, steunen, initiëren van betekenisvolle participatie aan sociale praktijken. Praktijken die zich niet beperken tot leefstijlen en vrijwilligerswerk, maar ook betrekking hebben contexten voor arbeid, wonen burgerschap, enzovoorts. In dit perspectief worden zingevingsproblemen gediagnosticeerd in termen van een gemarginaliseerde of betekenisloze participatie aan sociale praktijken. En de remedie waar ook het vormingswerk op kan worden aangesproken ligt dan vooral in het bevorderen van meer zinvolle participatiemogelijkheden.

Daarnaast blijft vormingswerk een functie vervullen in het bieden van een ‘Schonraum’ voor reflectie en bezinning. Maar dan niet als een van het maatschappelijk leven te isoleren en strikt aan de persoon gebonden activiteit. Maar juist in het spanningsveld tussen  persoonlijke zingeving en authenticiteit enerzijds, en het engagement met en de participatie aan betekenisvolle sociale praktijken anderzijds.

 

DE NOORSE RELATIE VAN HET NEDERLANDSE VOLKSHOGESCHOOLWERK
Cees Stapel

Al vele jaren bemiddelt het Nederlandse Volkshogeschoolwerk tussen jongeren uit ons land die er eens een (klein) jaar “uit willen” en de Noorse Volkshogescholen. Het meemaken van een cursus daar is voor hen “een ding voor het leven”.

Hoe is deze bijzondere relatie ontstaan? Er zijn toch in alle Scandinavische landen Volkshogescholen — waarom zijn die met Noorwegen zo speciaal? Dat is niet alleen omdat de cursussen daar juist voor jongeren zo geschikt zijn, maar vooral omdat er met de Noorse Volkshogescholen hechte verbindingen waren gelegd door een medewerker van de Volkshogeschool .Bergen (NH): Piet Timmerman.

Wie was Piet Timerman? Hij was een man die zijn naam eer aan deed: de inrichting van “De Zandhoeve” en “Het Oude Hof”, de gebouwen waarin de Volkshogeschool direct na de oorlog haar werk begon was voor een belangrijk deel zijn werk.Aan de verbouwing van de boerderij bij het “Oude Hof” herinnert nog een inscriptie die te vinden is in wat thans het stafhuis van VHS Bergen is: “De eeuwen door vond hier weleer/ de boer in’t werk beloning./ Thans vindt in onderling verkeer/ de mens zichzelf in d’ander weer/ bijeen in deze woning/ door Timmerman gerestaureerd/ staat hij weer vrij en onverveerd.”

Onvermoeibaar was hij steeds bezig met verbetering van de accommodatie; veel meubilair kwam uit zijn eigen werkplaats. Hij gaf leiding aan het zgn. “praktisch werk” — in de eerste jaren een belangrijk onderdeel van de cursussen. Verwoed wandelaar als hij was leidde hij excursies door de duinen, ook nog lang na zijn pensionering. Het was zijn liefde voor ruige natuur die hem naar Noorwegen dreef waar zijn vrouw, Trien van Veen, een weefcursus op een Volkshogeschool had meegemaakt.

Op zijn vele reizen naar dat land legde hij contacten met heel veel Volkshogescholen en werd daar een graag geziene gast. Befaamd werden de cursussen voor Nederlandse huisschilders die onder leiding van Piet Timmerman een aantal Volkshogeschoolgebouwen in stijl restaureerden. In de Volkshogeschool in eigen land gaf hij cursussen in Noorse handenarbeid.

Terug van zijn reizen ging hij veelvuldig de boer op met een onnoemelijk aantal dia’s om zijn enthousiasme voor Noorwegen op groepen uit allerlei kringen over te brengen. Daardoor en door zijn werk in de Volkshogeschool zelf kreeg hij tal van verzoeken om jongeren aan een plaats te helpen op een Noorse Volkshogeschool. Zijn vrouw en hij hebben dat steeds zeer consciëntieus en met veel plezier gedaan.

Voor dit “ambassadeurswerk” hebben zij beiden de “Sankt Olavs Medalje” uit handen van de Noorse Koning ontvangen en zijn zij in Nederland onderscheiden met de ere medaille in goud behorende bij de Orde van Oranje Nassau.

Na het overlijden van zijn vrouw heeft de Stichting voor Europees Volkshogeschoolwerk (nu: de Stichting voor Volkshogeschoolwerk) het bemiddelingswerk voortgezet. Piet Timmerman is in September 1999, 82 jaar oud, overleden. Het Fonds dat tegemoetkomingen kan geven aan Nederlandse deelnemers aan Noorse Volkshogeschoolcursussen, draagt zijn naam en houdt de herinnering aan deze bevlogen Volkshogeschoolman en Noorwegen-vriend in ere.

 

Mr. L. B. VAN OMMEN, TER NAGEDACHTENIS
Cees Stapel

“De Volkshogeschool en de steun van de overheid” — dit is de titel van wat waarschijnlijk de laatste studie is geweest die de vorig jaar overleden Mr. L.B. van Ommen aan het Volkshogeschoolwerk, en meer in het algemeen aan het vormingswerk in internaatsverband, heeft gewijd. Deze studie was bedoeld als een bijdrage tot de geschiedschrijving van het werk van met name de Volkshogeschool Bergen en is vermoedelijk (een datering ontbreekt op het stuk) in 1993 geschreven. Deze geschiedschrijving is helaas niet voltooid en zo is dit geschrift van Leo van Ommen dan ook niet gepubliceerd.

Als dit dus zijn laatste bemoeienis met het Volkshogeschoolwerk is geweest, zijn eerste was al in 1959. Hij zelf schreef daarover in het blad “De Volkshogeschool” van Februari 1977 (32e jrg. nr.1), uitgegeven bij het afscheid van Guermonprez als directeur van de Volkshogeschool Bergen het volgende. “Mijn benoeming als hoofd van de afdeling Volksontwikkeling van het toenmalige Ministerie van O.K. en W. was zojuist afgekomen en mijn eerste publieke daad zou de opening van het Jongerencentrum “Het Zeepaard” in Schoorl zijn. Oscar was daar natuurlijk ook bij, niet alleen als een van de initiatiefnemers, maar vooral ook omdat hij wel eens wilde weten wat voor een snuiter die Van Ommen wel zou zijn en wat hij te vertellen had”.

Dit citaat tekent wel aardig de figuur van Van Ommen: wat ironiserend, wel betrokken, maar toch met distantie. Na een periode bij de Raad voor de Kinderbescherming in Utrecht te hebben gewerkt kwam hij bij O.K. en W. als hoofd van wat toen al niet meer dan een “afdeling” Volksontwikkeling was. Begonnen als een “Directoraat-Generaal” Vorming buiten Schoolverband onder leiding van A. Oosterlee in de eerste na-oorlogse regering, was al bij de volgende kabinetten de zwaarte van deze tak van overheidsbemoeienis teruggebracht. Bij de instelling van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk werk in 1965 was de afdeling “Jeugdvorming en Volksontwikkeling” overgegaan naar dit departement en werd een “Directie Jeugdzaken, Volksontwikkeling en Sport” waarvan Van Ommen hoofd werd.

De sfeer van een Ministerie waarin “cultuur” - althans in de naam-  voorop stond was er een waarin Van Ommen zich thuis voelde. Het was bovendien de tijd waarin de aandacht voor culturele en maatschappelijke ontwikkelingen sterk toenam - de eerste na-oorlogse periode van wederopbouw en economisch herstel was voorbij. Belezen als hij was - vooral in de Franse literatuur-  had Van Ommen een brede belangstelling voor alles wat zich op het terrein van de cultuur en de maatschappij bewoog. Anders dan wat men onder  “een echte ambtenaar” zou verstaan was hij meer een man van ideeën en visies die eerder vragen stelde en zaken relativeerde dan beleidslijnen trok en deze doorzette.

Van zijn denkbeelden en opvattingen getuigen wel de twee bundels met inleidingen en referaten die het Ministerie in 1968 en 1969 heeft uitgegeven; de eerste onder de titel: “Culturele aspecten van het Welzijnsbeleid”; de tweede: “Beschouwingen over Permanente Educatie”. Dat het Ministerie dit deed was wel kenmerkend voor die tijd: een breed cultuurbegrip dat ook het vormings-  en ontwikkelingswerk omvatte, leidde tot een beleid waarin de maatschappelijke zorg nog niet overheerste. Van het brede terrein dat Van Ommen bestreek geven enkele titels en het gehoor waarvoor hij sprak of schreef een indruk. “Het nieuwe cultuurbegrip” (Ver. Katholiek Lectuurcentrum — Mei ‘67); “De Education Permanente” (Stichting voor Toegepaste Taalwetenschappen — Sept. ‘67); “De recreatie van de vrouw en haar gezin -  nu en in de toekomst” (Huishoudbeurs/Idee -  April ‘68); “Het nut en de toekomst van het Nut” (Mij. tot Nut van ‘t Algemeen — Mei ‘68); “Zijn vrouwen minder ontwikkeld dan mannen?” (in Panorama April/Mei ‘69); “Opvoeding tot mondigheid in een onvrije situatie” (bijeenkomst van R.K. en Prot. pastores bij de inrichtingen van Justitie - Oct. ‘69).

Het was karakteristiek voor Van Ommen dat hij veel van deze inleidingen besloot met een aantal vragen of stellingen waarmee het gezelschap werd uitgelokt tot eigen meningsvorming. Een neiging tot kritiseren en soms tot provoceren was hem daarbij niet vreemd. Bij de opening van de nieuwbouw van “Het Zeepaard” in 1968 bijvoorbeeld stelde hij zich met zijn vragen op als een lastige, haast drammerige, interviewer: “Kunt U concreet aangeven welke de eigenheid is van het cursuswerk met jongeren in de totaliteit van het vormingswerk?” En: “Durft het vormingswerk zich op te stellen tegenover de gevestigde orde?”

Deze uitdagende geluiden verstomden helaas toen de ruimte waarin zij konden klinken meer en meer vernauwde: het Ministerie werd tot een departement voor “Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur”. “Cultuur” kwam van de eerste op de laatste plaats. In internationaal verband, en vooral in de Raad van Eu­ropa (de CCC, het Culturele Coordinatie Comité) vond Van Ommen nog een mogelijkheid zijn denkbeelden tot uitdrukking te brengen. Maar in het Nederlands beleid was de brede visie verloren: toen “WVC” werd tot “Volksgezondheid, Welzijn en Sport” en de volksontwikkeling werd “ondergebracht” bij “Onderwijs, Cultuur en Wetenschap” - waarbij Van Ommen mee verhuisde-  bleek “cultuur” gereduceerd te zijn tot “kunsten” en “vormingswerk tot onderwijs. Het heef t Van Ommen veel teleurstelling gebracht en zijn ironie soms tot cynisme doen worden. Hij was geen vechter, maar, zoals hij Oscar Guermonprez ooit een “sympathieke bemoeial” noemde, was hij voor het Volkshogeschoolwerk steeds “een sympathieke criticus”.



1 De conferentie werd voorbereid door een commissie uit beide organisaties, bestaande uit: Greet Hettinga, Marcel Spierts, Dinie Goezinne en Henk Michielse.

2 Theo Jansen, Sociaal leren – Naar een actieve maatschappelijke participatie van deelnemers in het sociaal-cultureel werk. Utrecht 1999.

1 Het symposium werd voorbereid door Wil van de Heijden (Abdijhuis), Simon Vuyk (Stichting voor VHS-werk), Henk Michielse (Beraadsgroep Vorming), Lotte Wouters (Humanistisch Verbond) en Roeleke de Witte (Passage) in samenwerking met Piet Faas (Prisma-Brabant), Rick de Jongh (Universiteit voor Humanistiek), Frans Berkers (Haagse Hogeschool) en Hans Vertegaal (NIVON).

 

 
 
Vorige pagina